© Rik van Schaik, 2019 - 2020, Fantessay's 

Illustratie: Edward Hopper, Gas, 1940

Home

Weggewaaid en ongelezen

Over de liefde tussen Myra Hindley en Ian Brady


Een sadistisch universum komt tot ontploffing

Renate Rubinstein schrijft Willem Frederik Hermans

Verschijnt spoedig


Naar Koekange

Over het verdwijnen van Willeke Dost

Verschijnt spoedig



Soms kan ik om die afgronden heenlopen zonder iets te doen, bedenkend hoe de mens met waanzinnige krachtsinspanning kruimeltjes afknaagt van de enorme meteoor waar hij reddeloos aan gebonden is, waarop hij door het heelal giert als een drenkeling op een vlot zonder ooit te mogen verwachten in de nabijheid van andere drenkelingen op andere vlotten te komen.

 

Willem Frederik Hermans

Achter borden Verboden Toegang, 1955



W E G G E W A A I D  E N  O N G E L E Z E N

Over de liefde tussen Myra Hindley en Ian Brady

 

Geachte heer Morra, op geen enkele manier kan ik verklaren waarom ik u terugschrijf. Evenmin heb ik enig idee met wie of wat ik te maken heb. Uw bedrijfsnaam, Morra analyses, klinkt mij eerder in de oren als de circusact van een krankzinnige dan dat van een gedegen onderzoeksbureau. Althans, uit uw schrijven maak ik op dat u zich als onderzoeker tot mij richt. En natuurlijk ziet uw briefpapier er keurig uit, maar verder bent u onvindbaar. Uw doel, het zoeken naar overeenkomstige sporen in misdaden en mysteries uit de voorbije eeuw, is van een fantastisch en belachelijk niveau. U bent niet de morele onderzoeker die u schrijft te zijn, u bent een psychopatische scherpschutter. Als ik aan u denk zie ik een eenzame ziel voor me, een verbitterde querulant die zich uit dorstige noodzaak te voeden heeft met andermans leed. Verscholen vanuit uw schrijfkamer, omringd door teksten van anderen, brengt u uw slachtoffers in het vizier en legt uw vinger op de trekker. U schrijft brieven, componeert vangnetten voor ongelukkigen die zich als uw prooi bekeken en ontleed mogen voelen, opgejaagd om rap met een antwoord op de proppen te komen voor ze als aangeschoten wild de genadeklap uit uw pen mogen ontvangen. U vindt het blijkbaar prettig om warmpjes vanuit een comfortabele schuilplaats onschuldige zielen te ontmaskeren en hen op een scherpe brief met welgemikte woorden te trakteren. De brief, hoe weinig er vandaag de dag ook nog geschreven en verzonden worden, is voor u toch nog steeds het fraaiste middel om aan uw gerief te komen, of om u van bepaalde erupties te ontdoen. Het is prettiger dan een telefonische aanval, die kan de ontvanger immers met een schouderophalen pareren door simpelweg de verbinding te verbreken. De brief is een variant van een ongewenst bezoek afleggen zonder dat men voor huisvredebreuk zal worden aangeklaagd. Natuurlijk, de ontvanger kan de post ongelezen laten. Maar hoe vaak zal een geadresseerde de brandende nieuwsgierigheid kunnen weerstaan? Precies, nooit en te nimmer! De brief, een fysiek document, bestaat en bespringt de ontvanger vanaf de deurmat of het dressoir. En, nog een hele fraaie overweging voor de ongelukkige: wie zegt hem of haar dat er van de bewuste brief slechts één exemplaar in omloop is? Juist, niemand zal dat kunnen garanderen. En daar spint de afzender garen bij, want het geeft nog eens extra glans aan het intimiderende karakter van het bewuste epistel. De brief is niet enkel een document voor steunbetuigingen en felicitaties, wie dat nog steeds denkt leeft in een ver verleden. De brief is het meest ultieme precisiebombardement uit de geschiedenis der geschillen, onthullingen en aankondigingen.

Nee, u heeft mijn antwoord – voor zover u er iets aan zult hebben – te danken aan twee zinnen uit uw brief. Deze: Een geestelijk geneesheer zal een bepaalde mate van intimiteit aan moeten kunnen gaan met zijn cliënt. Ik kan dan ook niet aan u denken zonder daarbij een bepaalde voorstelling van uw mededogen op te roepen, me uw uitnodigende woorden en vertrouwelijkheid met Myra Hindley voor te stellen. Tientallen keren is mijn geringe intimiteit met mevrouw Hindley (jazeker, ik noem haar mevrouw – want alleen een gepaste afstand kan een veilige vertrouwelijkheid garanderen) door justitie, politiek en media aangevallen, besmeurd en op verachtelijke manieren verdacht gemaakt. In uw epistel proefde ik voor het eerst een natuurlijk begrip voor mijn relatie met mevrouw Hindley, een open opstelling ten aanzien van mijn geestelijk onderzoek naar deze vernielde vrouw. En daarin schuilt dan ook waarschijnlijk meteen uw waanzin. Het is daarom dat ik pas nu, tegen het eind van mijn leven, mezelf openen wil en u probeer te geven waar u mij ooit om verzocht: namelijk mijn inzichten en gedachten over deze kindermoordenares. Voor zover de tijd deze niet verkleurd en vervlakt heeft, schrijf ik ze u.



De rechters hadden mij opdracht gegeven om de geest en ziel van deze vrouw in kaart te brengen. Ik denk dat zij, net als alle burgers van ons koninkrijk, wanhopig op zoek waren naar een afwijking; een ziekte die haar daden een bepaalde logica konden verschaffen. Dat haar duistere liefde Ian Brady, met zijn grenzeloze fascinatie voor de nazi-ideologie en de verhalen van De Sade, zich zo gruwelijk sadistisch vergreep aan jonge kinderen, was onbevattelijk. Maar dat een jonge vrouw, gereed voor het moederschap, als een rattenvanger de kinderen met stroop lokte, chauffeerde en hen naakt aan de voeten van haar duivel legde, deed iedere elastische verbeelding breken. Het kwaad moest niet enkel een gezicht krijgen, maar vooral ook te doorgronden zijn. Want een verklaring zou bescherming kunnen bieden aan mogelijke slachtoffers van haar nazaten.

 

Tot ik mevrouw Hindley zelf zag, had het kwaad voor mij een gezicht. Of beter gezegd: het kwaad was een tekening. Tientallen keren had ik gehypnotiseerd naar haar beroemde krantenfoto gekeken, speurend naar een afwijkende lijn. Maar haar grijze blik, de zwarte wenkbrauwen onder die blonde kuif, de vormelijk dunne bovenlip die door de vlezige onderlip leek te worden opgegeten, de neus die als een langgerekte druppel haar gezicht in tweeën sneed; ik ontdekte, net als ieder ander, helemaal niks. Haar daden maakten haar foto tot een horrorportret en de beelden van het mistige heidelandschap in Saddleworth, de aanrijdende arrestantenbus voor de eerste getuigenverhoren en de miniatuurtjes van haar slachtoffers, bestrooide haar beeltenis met een onuitwisbare as. De rechtbankverslagen waaruit de kille echo van de bandopnames van Brady’s sadistische en seksuele worstelingen als demonen uit opstegen, waren het gif dat onze natie vergiftige. Wij allen hielden onze hand voor de openvallende mond en bogen onze rug vol schaamte en afschuw.

 

Welke van mijn observaties zou deze wond kunnen zalven? En zou dat eigenlijk wel heilzaam zijn? Het volk heeft de wond nodig om alert te zijn en onderscheid te kunnen maken tussen zaken die in alle chaos door elkaar heen slingeren en in feite met ons allen verbonden zijn. Mijn missie had juridisch noch verklarend enig nut. Maar ik bezocht haar omdat ik nieuwsgierig was. Een eigenschap die u zal moeten herkennen.

 

De woorden van mijn vrouw dreinden onder mijn schurende voetstappen, klommen mee langs de hoge muren van het cellencomplex: ‘Laat je maar inpakken door die minnares van het kwaad! Vergooi je goede naam en laat je voor eeuwig verdoemen! Wie is er in godsnaam nog zo gek te krijgen om zich als patiënt tegenover jou neer te leggen?!’ De ochtend van onze eerste ontmoeting was ik werkelijk huiverig voor mijn toekomst en dacht ik aan de mogelijkheid om me aan te sluiten bij een behandelaarsgroep van een inrichting. In mijn hoofd haalde ik mijn spreekkamer al leeg.

Voor en achter mij liepen twee bewakers, alles in hun tred en voorkomen moest mij doen geloven dat zij over een zekere neutraliteit beschikten, dat ze boven de meute stonden en het bijltje kenden van zoveel eerdere hakpartijen. Achter hun snorren zat het gezicht in een welhaast verveelde plooi. Nee: zij zagen enkel de feiten. Hun zicht werd niet vertroebeld door de vijf kinderfoto’s, de spookachtige zoekformaties die zwevend met lantaarns over de hei de grond bestookten met hun prikstokken. Deze mannen van het gezag waren vrij van de afschuw die de gillende kinderstemmen bij eenieder opriep, zij hadden de smeekbedes om te stoppen met de mishandeling en het eindeloze roepen om een moeder, weten te hanteren. Althans, dat was hun uitstraling. Tot het moment waarop de functionaris, die voor mij uitliep, me staande hield voor de gele deur, de vingers als kroelende slakken om zijn sleutelbos hield om aan te geven dat alleen hij bepaalde wanneer ik toegang kreeg. De ogen van de man vernauwden zich en zijn glimmende neusvleugels begonnen nerveus te trillen toen hij mij als een openbaar aanklager de opsomming van haar duivelsstreken toebeet: ‘U krijgt toegang tot het meest mismaakte schepsel dat ooit onder dit dak heeft geleefd. Zij is de mishandelaar en moordenares van ten minste vijf kinderen. Ik laat u binnen in naam der wet, weet dat ik hier op u wacht, uw gesprek kan horen en het zal afbreken wanneer het in strijd komt met onze regels. Uiteindelijk zijn wij hier de baas en ik adviseer u om uw halfzachte brillenglazen eens stevig op te poetsen. Achter deze deur woont geen patiënt, meneer de psychiater. Hier woont een hondsdol monster dat thuishoort aan de galg.’ Nadat de man was uitgesproken knikte hij driemaal, draaide zich om en opende de celdeur. Of het nu mijn vrouw, de bewaker of het Engelse volk betrof: men had mij veroordeeld omdat ik mij door Vrouwe Justitia op pad had laten sturen. De pek en veren op mijn schouders zouden opdrogen maar voor altijd de wendbaarheid van mijn romp en nek beperken. Ik wist het. Ik wist het heel zeker. Toch ging ik de drempel over.



In het helwitte Tl-licht, schuin voor het korrelig grijze venster, zat een meisje met haar rug naar de deur. Haar hoofd knikte mee met een murmelend melodietje, de handen woelden door een bevlekt laken. In die subversieve stilte zat geen vernietigend monster, maar een gebroken kind. En het was deze gedachte van waaruit alles misging.

‘Mevrouw Hindley, ik ben dokter Donald Cave. Mij is gevraagd met u in gesprek te gaan.’

Traag als een secondewijzer kroop haar kin over haar schouder, haar neuriën viel stil en ze blies een lok weg voor haar rechteroog. Ze nam mij op, met een teleurstelling die dicht tegen afschuw moest zitten. Ze fluisterde niet, maar hijgde: ‘Komt u van hem? Wat zei Ian?’

Ik kwam niet van hem. Evenmin had ik Ian gesproken. Maar haar vraag deed mij, vanuit welk vervuild verlangen is mij nog steeds een raadsel, overwegen om een fantastisch spel te spelen. Hoe zou ze reageren wanneer ik haar zou zeggen dat Ian haar liet weten van haar te houden, dat hun hellekring nooit door veroordeling en gevangenneming verbroken kon worden?

‘Ik ben hier omdat de rechters mij dat hebben gevraagd. Ik ken meneer Brady niet en ik heb hem nooit gesproken. Is dat een teleurstelling voor je?’

Ze rilde, trok wat met haar schouders en liet haar lege blik op mij los. Ik voelde geen schok of huivering, wat ik wel ervaarde was een mistig niets. Daarna knikte ze haar hoofd snel op en neer. Ik trok een stoel naar me toe, nam plaats en liet een potlood boven mijn schrift zweven. Ik wilde niet wegkijken, voelde ook niets van een eventuele duistere macht die dat van mij verlangde.

‘Waarom heeft hij mij in de steek gelaten? Houdt hij niet meer van mij?’

‘Denk je dat? Ben je daar bang voor?’

‘Dat zal mijn dood worden…’

Na deze bekentenis hield ze zich de rest van het uur slapende.

 

Thuis werd het er niet beter op. Het leek of ik de zwarte mist van Saddleworth had meegenomen; het nestelde zich tussen onze jassen aan de kapstok, kroop over de trap en overloop en strekte zich uit tussen onze lakens. Mij werd kil verweten dat ik in mijn droom de naam van mijn cliënt uitsprak en ik voelde hoe mijn vrouw steeds verder van mij af ging liggen. Ik was me bewust van een dreiging, natuurlijk. Maar die verwoestende vrouw bleef aan mij trekken en ik vroeg toestemming om bandopnamen van onze gesprekken te maken, zodat ik ze thuis, zogenaamd in een ‘neutrale sfeer’, dieper kon analyseren en beschouwen. Vanzelfsprekend luisterde ik onze gesprekken terug in mijn spreekkamer, met koptelefoon. Haar raspende stem had een hypnotiserend effect op me en ik merkte dat ik haar, onder het terugluisteren van onze gesprekken, begon te tekenen. Niet alleen haar gezicht, vol diepe vegen en schaduwen, maar ook haar opgetrokken houding, haar kinderlijke voorkomen. Urenlang speelde ik haar gebeden af: haar bekentenissen over de offers aan haar duivelse prins, hoe de stoere motorrijder Brady tijdens de nachtelijke ritten naar de hei achter haar busje aanreed, hoe mierzoet ze de kinderen stil kreeg en hoe ze haar liefde maniakaal aanmoedigde wanneer hij zich onder de bleke maan als een sater aan hun vergreep. Nee, ze had geen spijt en ik meen dat ze zich uit zelfbescherming moest weren voor de grote schulden die ze droeg. Mevrouw Hindley zou haar vonnis slikken en kon zich enkel voor de schuldenlast beschermen door haar liefde te bewaken, die was immers de draad tussen haar verlangen en haar daden; ze was er zelf tussenuit gestapt, ze had zich volledig overgegeven aan een verwoestende liefde.

 

Maar Myra Hindley hoorde niets meer van haar liefde en de enorme kuil waarin dat zwijgen haar had geworpen was te diep voor haar. Ik wilde met haar spreken over David Smith, haar zwager. En ik hoefde alleen maar zijn naam te noemen of ze begon, nadat ze een sigaret had aangestoken, te fluisteren: ‘David was zó alleen… Die tienermoeder van hem, die hem zomaar achterliet… En dan mijn zus, die hem een kind gaf dat stierf… David geloofde niemand meer, behalve Ian. Hij geloofde in Ian…’

‘Maar hij heeft jullie aangegeven bij de politie. Hij betrapte Ian met die bijl bij Edward Evans. David heeft zich loyaal getoond om zichzelf tegenover jullie te beschermen. Maar na het opdweilen van het bloed en het schoonmaken van het huis, is hij naar de politie gegaan om jullie aan te geven.’

Mevrouw Hindley knikte, keek naar de vonk aan haar sigaret en beet hard op haar onderlip: ‘Ik dacht dat David het had gedaan…’ mompelde ze. Hetzelfde als wat ze tegen detective Fairly had gezegd toen ze gearresteerd werd.

‘Waarom dacht je dat?’

‘Ik dacht dat Ian het voor David deed. Voor David, voor mij, voor mensen zoals wij… Wij hadden geen God, wij hadden Ian. Als wij niet in hem geloofd hadden, dan was het niet verkeerd gegaan…’

‘Hadden?’

‘Ian is dood. Ik weet niet waar hij is. Als Ian nog leefde, zou hij mij niet in de steek hebben gelaten. Dat zou hij nooit doen!’

‘Ian Brady zit in de gevangenis. Hij is net als jij gearresteerd voor het mishandelen, verkrachten en vermoorden van kinderen.’

Hindley schudde haar hoofd en keek naar me op met de meelijwekkende blik van iemand die nooit eerder met zo’n domme gesprekspartner te maken had gehad: ‘Ian droomde over de moorden, over de hei… Ian begreep wat er van hem gevraagd werd… Hij heeft heel hard gewerkt om die dromen te begrijpen, om de wereld van die dromen te begrijpen. Hij zocht naar literatuur en overtuigingen waar hij zich eindelijk thuis mocht voelen.’

‘Wat vonden je vriendinnen van Ian, hadden ze het daar weleens over met je?’

‘Ze vonden hem vreemd. Vind je het gek? Zij hadden die dromen niet…’

‘Had jij die dromen wel?’

‘Nee. Ik begreep ze, want ik wás die droom. Hij had mij gezien, ik was hem voorspeld. Ian had het script, hij wist wat hij moest gaan doen. Ik heb hem geholpen. Helaas… Want het was allemaal voor niets. Hij heeft mij verlaten. Hij is over het water van mij weggelopen…’

Welke van haar woorden waren poëtisch bedoeld en welke waren van een krankzinnige? Ergens in haar gekte verschool zich een diepe wens naar zuiverheid. En zoals iedere liefde stond zij open voor de waan en de uitvergrotingen van ontembare hunkeringen. Ze was een halve fantast geworden. Net als anderen was overkomen. De dichteres die uit liefdesverdriet zelfmoord pleegt en twee jonge kinderen achterlaat, waarom zou zij geen mishandelaar zijn? Waarom worden de helden uit de literatuur geromantiseerd? Het was één van mijn laatste bezoeken aan mevrouw Hindley en ik kon haar niet diagnosticeren; ik weigerde haar te labelen als een gek.

Achter haar rug keek ik naar de muur en zag dat ze met iets scherps haar hondje getekend had. Hetzelfde hondje als waarmee ze gefotografeerd was op de hei, geknield bij het graf van één van de kinderen. Daaronder stond in langgerekte letters geschreven: Ian is God!

Bij het afscheid gaf ik haar een hand, maar in plaats van deze te schudden beet ze in mijn wijsvinger. Een bijten dat op zuigen leek.



Toen ik die avond thuiskwam stond Julia, ons dochtertje, alleen in de box. Ze schudde zichzelf terwijl haar knuistjes stevig om de rand grepen. Er kwam een walm uit de oven en ik riep Susan, mijn vrouw. Met Julia op mijn arm zette ik de oven uit en opende de klep. Daarna liep ik naar boven. Aan de lichtstroken op de overloop zag ik dat de deur van mijn spreekkamer open stond. Eenmaal boven bleef ik aan de grond genageld staan kijken naar Susan. Ze stond gebogen over mijn bureau en had al mijn tekeningen van mevrouw Hindley voor zich liggen, samen met de foto’s van de mishandelde kinderen en de knipsels uit de dagbladen. Mijn aantekeningen lagen verspreid over de vloer. In mijn herinnering heb ik haar minutenlang staan observeren, zag ik hoe de afschuw over haar gelaat trok. Ik kon haar horen ademhalen. Pas toen haar ogen in mijn richting schoven begon het verzengende vuur woest om zich heen te slaan. Susan hield een prent van Hindley omhoog waarop ze gehurkt met haar hondje aan het graf zat. Ze verscheurde het, kwam op mij af en griste Julia uit mijn armen: ‘Jij blijft van ons kind af, je bent nooit meer alleen met haar en ik wil dat je jezelf laat helpen. En al die troep gaat vanavond nog de open haard in. En als je mij een groot plezier wil doen, dan maak je hier je bed op. Ik zal wat eten brengen.’

Ineens was daar voor mij het volledige schilderij. Ik zag het: dit waren de effecten. En hoe misselijkmakend mijn tocht over de vloer van mijn spreekkamer ook was, ik kon geen van die papieren vernietigen. In plaats daarvan deelde ik de foto’s, aantekeningen en portretten opnieuw in. Alleen een kort briefje, dat Myra tijdens een van mijn laatste bezoeken in mijn jaszak had gestopt, verscheurde ik. Het was een briefje met drie woorden en deed tot in het merg een beroep op mijn wezen als arts: Help me! Myra.

De rest borg ik op in drie laden, ik maakte een bed op en was me volledig bewust van het feit dat ik mezelf aan het opsluiten was.

 

Meneer Morra, u heeft vast uitgeplozen dat mijn vrouw zichzelf en ons kind, niet lang na mijn onderzoek naar mevrouw Hindley, verdronken heeft. Tot mijn verhuizing heb ik bijna dagelijks aan de rand van die grote vijver gestaan. Starend in het rimpelige water, op zoek naar een onthullende verklaring. Voor niets. Hindley verdween uit mijn systeem, ze kwam niet meer bij mij spoken. Zo makkelijk was het blijkbaar en dat maakte de vernietiging van mijn gezin extra onvergeeflijk. Twee keer kwam Hindley in de nacht bij mij terug. Dat was toen ze in 1987 opnieuw in het nieuws kwam, toen ze door justitie wederom naar Saddleworth werd gereden om sporen te zoeken van het onvindbare graf van Keith Bennett. De laatste keer dat ze mij bezocht was na haar sterven. Radio luisterde ik nauwelijks en een televisie had ik niet meer. Ik schrok dus toen ik, bij het kopen van mijn sigaretten, haar beeltenis opnieuw in een krant zag opdoemen onder de dik gedrukte overtuiging: Myra is finally where she belongs… HELL! De treurigheid die die woorden onder mijn borst bracht, heb ik nooit meer uitgeblazen.

 

U zult snappen, meneer Morra, dat uw geschreven verzoek om te onderzoeken wat een rode draad van het kwaad zou kunnen zijn, niet aan mij besteed is. Wel weet ik dat wanneer een dokter, een rechter, een neutrale onderzoeker, zich in het kwaad verdiepen gaat, datzelfde kwaad met hem of haar zal verkleven. In de meeste gevallen wordt die persoon een verlengstuk van de kwade ziel waar het volk zich op zou willen wreken. Ik wil maar zeggen: het kwaad neutraal onderzoeken levert enkel een duistere bevlekking op. Het zal je besmetten. Laat ik u dat als een waarschuwing meegeven. Als mijn brief niet wegwaait, zult u hem kunnen lezen. Ik laat hem achter bij de vijver. Vriendelijke groeten, dokter Donald Cave.




Een sadistisch universum komt tot ontploffing

Renate Rubinstein schrijft Willem Frederik Hermans

Verschijnt spoedig


Naar Koekange

Over het verdwijnen van Willeke Dost

Verschijnt spoedig


© Rik van Schaik, Hiermee verblijf ik, 2019