Soms kan ik om die afgronden heenlopen zonder iets te doen, bedenkend hoe de mens met waanzinnige krachtsinspanning kruimeltjes afknaagt van de enorme meteoor waar hij reddeloos aan gebonden is, waarop hij door het heelal giert als een drenkeling op een vlot en zonder ooit te mogen verwachten in de nabijheid van andere drenkelingen op andere vlotten te komen.
Willem Frederik Hermans
BELUISTER HIER ALLE VERHALEN UIT HET WAS EEN GEWELDIG FEEST
Vannacht droomde ik dat de familie Horváth was teruggekomen. Omdat ik nooit meer iemand over de familie hoor spreken, en ook leeftijdsgenoten van mij, die vroeger eveneens op De Meern woonde, zich niets van het gezin kunnen herinneren, schrijf ik alles wat ik nog over hun weet zorgvuldig op. Dat de familie Horváth na mij voorgoed vergeten zal worden, jaagt mij in een kille melancholie.
Op 26 februari 1986, mijn twaalfde verjaardag, viel de voorjaarsschoonmaak van mevrouw Horváth erg vroeg in het seizoen. Zelfs zo vroeg dat de ramen en deuren van haar huis openstonden terwijl het buiten licht sneeuwde. Vanuit mijn slaapkamerraam aan de achterzijde van de Veldhuizenlaan had ik slechts in de winter zicht op de voorgevel van hun huisje in de Mabeliastraat; zodra de bomen weer blad droegen zat de familie voor mij verborgen achter het groen. Nu zagen veel mensen uit De Meern de familie Horváth liever verborgen, maar ik niet. Aron Horváth was mijn vriend, en zijn familie was op De Meern wellicht een wat exotische verschijning, maar ze waren in mijn herinnering altijd vrolijk, gastvrij en warm. Mijn ouders hadden, wanneer het gesprek aan onze eettafel over de Hongaarse familie ging, altijd een licht oordeel over hun te vellen: de Volkswagen-bus van vader Horváth stond weer eens verkeerd geparkeerd, dan wel had de familie met oudjaar tot 01.30 uur voor kapitalen aan luidruchtig vuurwerk staan afsteken (‘Waar betalen die arme mensen dat allemaal van, dat zou ik weleens willen weten!’), of de beenprothese van Arons jongste zusje – die je op zomerdagen gedurig door onze wijk hoorde piepen en slijpen, wanneer ze vrij aan de wandel was, moest nodig eens worden gesmeerd, of diende door de zorgverzekering maar eens vervangen te worden; ‘Alsof dat kind al niet genoeg voor schut loopt met dat zevermondje van haar!’ Nu bezat mijn stiefvader, instrumentenmaker en motorrijder, in zijn werkplaats tientallen soorten olie, maar eens behulpzaam zijn met het smeren van het ongelukkige apparaat, kwam niet in zijn hoofd op. Irena, Arons zusje, mocht dan mentaal en fysiek enige ongemakken kennen, en iedere schooldag met een zogenaamd ‘debielenbusje’ op en neer worden gereden, ze lachte altijd en kwam geregeld onaangekondigd achterom om ons bloemen te schenken. Een warm welkom werd Irena, bloemen en een kwijlende glimlach binnenbrengend, door mijn ouders echter niet gegund. Zeker niet nadat ze eens mijn moeder, die net naakt en ingezeept onder de douche stond, tot in de badkamer achternagelopen was en haar daar – op haar borsten wijzend – een boeketje kwam brengen, onder het luid uitroepen van: ‘Klaprozen! Klaprozen!’ ‘Nu moet het niet gekker worden!’ sprak mijn vader grimmig, terwijl hij de trap op denderde om in te grijpen en zo een verdere schending van zijn vrouws eer te voorkomen. Nadat ze van haar belaagster gered was, gilde mijn moeder vanachter het douchegordijn: ‘Dat ze met dat knerpende loopijzer sowieso de trap weet te beklimmen!?’
Wanneer mevrouw Horváth grote voorjaarschoonmaak hield, mocht ik onder geen beding bij de familie naar binnen. Sterker: de voorjaarschoonmaak was een dermate grotesk ritueel dat zelfs meneer Horváth en de vijf kinderen buiten moesten blijven. Meestal gingen vader en de kinderen er dan een dagje op uit. Zo had moeder Horváth alle tijd om huis en tuin grondig aan te pakken, zonder dat zij hinderlijk door man en kinderen voor de voeten werd gelopen. Voorgaande voorjaarschoonmaken werd ik altijd door meneer Horváth meegevraagd op zo’n dagje uit. Ik voelde me op deze verjaardag dus kinderlijk overgeslagen en gekwetst, toen ik vanuit mijn slaapkamer de open ramen van mevrouw Horváth bekeek. De vitrages dansten als vluchtende spoken naar buiten. Het moest beslist de vroeg vallende voorjaarsschoonmaak zijn, dat kon niet anders. Mevrouw Horváth liet immers in de winter álles stevig op slot. Ik moest in die maanden steevast op het keukenraam tikken, dan werd de achterdeur voor mij van het slot gedaan en mocht ik – voeten vegend! – binnentreden. Wanneer ik achter mij de keukendeur niet onmiddellijk afsloot, riep moeder Horváth schel: ‘Lief Rik, doe deur diecht! Die zigeuners komen! Die zigeuners komen!’ Aan de rand van De Meern woonden in mijn jeugd op de Huppeldijk inderdaad diverse zigeunerfamilies, maar wij hadden ze nog nooit op ons dorp gezien. Toch had Arons moeder er een grote huiver voor. Zoals ze wel voor meer zaken een merkwaardig soort angst ontwikkeld had. Bijvoorbeeld wanneer de telefoon ging en de persoon aan de andere kant der lijn verkeerd verbonden bleek te zijn. Dan werd moeder Horváth in hoge mate ongerust: ‘Het zijn de Russen weer! Let op mijn woorden, áltijd weer de Russen!’
Zo paniekerig mevrouw Horváth kon zijn, zo soepel en vrolijk bewoog haar man zich door het leven en over ons dorp. Al bij het voor de eerste maal binnenrijden van De Meern, de familie zat met de volledige huisraad stevig op elkaar gepakt in een wild rokende Volkwagen Transporter T1 (waar op het dak, stevig aan de antenne gebonden, de Hongaarse vlag wapperde), reed vader Horváth tegen het verkeer in op De Meerndijk, waarbij hij iedere wild toeterende medeweggebruiker trakteerde op een vriendelijke toeter terug, gewuif en een royale glimlach, alsmaar door het open raam roepend: ‘Dank oe wel, dank oe wel, alstublaft beleefd!’ De glimlach van meneer Horváth was behoorlijk in het oog springend, daar het uit slechts vier tanden bestond. Mijn stiefvader, met wie ik net bij mijn opa en oma vandaan kwam alwaar hij een zaagtafel te leen had gekregen en die wij samen, secuur lopend om het draaiende zwenkblad niet akelig tegen onze enkels te krijgen, met open mond de onstuimige intocht van de familie Horváth in ons dorp gadesloeg, ontsnapte de volgende klacht: ‘Levensgevaarlijk hoe die kerel aan het spookrijden is! En met een zo mogelijk nóg gevaarlijker barrel. Ik moet met mijn wagen eens per jaar op een peperdure keuring komen, maar deze familie reist fluitend met een in elkaar gezakt museumstuk Europa door. Frisse morgen!’
Ik hielp mijn stiefvader nog even snel met het stevig neerzetten van de zaagtafel op het tegelpad in onze achtertuin, en het vervolgens grondig vastzetten van het zwenkblad, wat blijkens mijn stiefvaders wilde gevloek maar matig lukte, en vertrok weldra naar de Mabeliastraat alwaar de nieuw verschenen familie hun bus aan het uitladen was. De familie Horváth had mijn volle aandacht. Zeker toen ik hun vader achter de openstaande bus met een ezel tevoorschijn zag komen. Hij knikte mij vriendelijk toe en vroeg of ik het dier wilde aaien. Terwijl de ezel gedwee het hoofd naar mij boog en ik het zoete beest in de nek streelde, werd ik bekeken door de liefste mannenogen die ik mij herinner: ‘Bunky! Ezel heet Bunky!’ Als teken dat ik het begrepen had, herhaalde ik een paar keer onnozel de naam. ‘Kom binnen, kom binnen!’ nodigde Arons vader mij uit. En achter meneer Horváth en de ezel aan, wandelde ik het huis in. Omlopen, om door de poort in de achtertuin te geraken, vond de vader van Aron blijkbaar tijdverspilling: in één rechte lijn wandelde hij met de ezel door gang en keuken naar de achtertuin, alwaar Bunky op het grasveld de vrijheid kreeg. Binnen draaide moeder een langspeelplaat met Hongaarse volksmuziek, vermoedelijk om zich in het westerse huisje wat meer thuis te voelen.
‘Wat sta jij hier te kijken?’ Aron, die een kop boven mij uitstak, stond, zonder dat ik hem had horen aankomen, plotseling naast mij. Zijn achter dikke brilglazen verstopte ogen namen mij uitdagend op.
‘Ik mocht van je vader jullie ezel aaien…,’ stamelde ik.
‘Oh, nou. Kom maar mee naar boven, dan kun je mij helpen mijn kamer in te richten.’ Sinds dat moment waren wij vrienden.
Dit tot ongenoegen van mijn ouders en onze klasonderwijzer, tevens hoofdmeester der katholieke basisschool, die ons verbond achter in de schoolklas maar lastig kon omarmen. Aron was katholiek, ondanks dat men dat uit zijn gedrag niet al te best kon opmaken. Hij bezat het talent om, met schijnbaar onbeweeglijke lippen, een krachtig scheetgeluid te produceren wanneer iemand in onze klas opstond, dan wel plaatsnam. Hiermee voor het slachtoffer in kwestie een beschamend moment, en voor de les van dienst chaos, stichtend. Iets wat onze hoofdmeester, Kloef geheten, die slechts op intuïtie kon vermoeden wie de aanstichter van deze grappenmakerij was, van zich probeerde af te schudden door Arons achternaam klassikaal voortdurend bewust verkeerd uit te spreken in allerlei varianten van Horrorfiets tot Hoera-Niets. Tot zichtbare ergernis van de meester gleed deze kinderachtige belediging gemakkelijk van Aron af. Sterker: hij lachte vrolijk met de klas mee, wat het gezicht van onze leraar zich in een verwrongen grijns deed verstoppen. Aron had geduld met zijn wraaknemingen. In het voorjaar nam hij twee kartonnen gebaksbordjes en elastieken mee naar school. Bij het uitgaan der school op donderdag, wanneer het onderwijzend personeel gezamenlijk in teamvergadering lang in de koffiekamer achterbleef, deed hij mij op het honden-uitlaatveldje vernuftig voor hoe je met takken zo’n bordje vol schepte met hondenkak, die aandrukte met het andere gebaksbordje, om er vervolgens kunstig met elastiekjes een swingende frisbee van te maken. Langs het huis van hoofdmeester Kloef komend, stond aan de zijwand het venster van diens echtelijke slaapkamer altijd open. Met de precisie van een discuswerper liet Aron meermaals de hondenkak per luchtpost bij onze schoolmeester naar binnen suizen. Schaterlachend bij het idee hoe de bordjes, neerslaand tegen slaapkamermuur of nachtkastje, zich zouden losmaken en daarmee de hondenstront vrij over beddensprei, bloemetjesbehang en familieportret zou uitsproeien, holden wij door de Veldhuizenlaan naar huis.
Ook vader Horváth bezat de kunst van het meelachen wanneer hij bespot werd. Eens maakte ik mee dat hij in de te krappe snackbar van Chris en Gerda aan de Meernbrug maar lastig de klemmende deur open kreeg. Eenmaal binnen bestelde hij ‘patat-frieten, grote zak frieten-patat’. Opgeschoten jeugd achter de gokkast begon vader Horváth ten overstaan van alle klanten te beschimpen, door zijn stemgeluid en woorden te imiteren. Vader Horváth lachte vrolijk met iedereen mee, nogmaals zichzelf bespottend door het komisch herhalen van zijn bestelling. Anders dan zijn zoon Aron was zijn wraak letterlijk zoeter; deze bestond niet uit het vervuilen van andermans woning dan wel automobiel, maar uit het ronduit belachelijk goedkoop verkopen van ijs. Eind april begon meneer Horváth in zijn keuken zelf ijs te maken. Een zalig portie zoete romigheid, waar ik wekelijks in zijn keuken royaal van mee mocht snoepen. Hele bakken maakte hij klaar, klom vervolgens op zijn gerenoveerde IJsco-fiets en trapte zich luid klingelend De Meern door. Hoewel de dorpelingen met de nodige argwaan, en irritatie omtrent het altijd nét iets te lang doorgaande belgeluid, voorzichtig uit hun achtertuinen tevoorschijn kwamen, groeide zijn omzet. Waar kreeg men voor bijna niets zulk smakelijk ijs? Meneer Horváth zijn ijs was immers praktisch gratis. Op dagen dat hij meende genoeg verdiend te hebben, fietste hij naar het zwembad Fletiomare alwaar iedereen die door de ijzeren poortuitgang naar buiten kwam, gratis ijs kreeg. Dit tot groot ongenoegen van de door omzethonger bezeten dorpse middenstand. Voor mij was het vaak de kers op de toch al royale taart die ik die dag van de familie had ontvangen. Aron had mij in het zwembad geleerd hoe je, met een verbogen metalen kleerhanger, langs de badhokjes kon lopen en, van onderaf op je knieën gezeten, de sluitbalkjes omhoog kon tikken waardoor de zich aan- of uitkledende badgast, geschrokken in het volle daglicht kwam te staan. Aron was nooit te beroerd om er een schepje bovenop te doen wanneer iemand geheel nakend en onmachtig zich gezien wist door dorpsgenoten. Verborgen achter een ander kleedhok begon hij luid tegen de blote kerel in kwestie te brullen: ‘Is dat álles wat je in huis hebt? Dat is geen vleeslul, maar een miezerige lucifer. Half afgebrand al. Daar zal je vrouw weinig aan hebben, die past maar net in haar navel!’ Gierend van de pret, en warm van deze vriendschap, aanschouwde ik hoe men daarop gekwetst en met veel gekletter de deuren weer klunzig dichtsmeet. Dat in dit rijtje te kakken gezette zielen op een goede dag ook schoolmeester Kloef achter de openspringende deur in Adamskostuum te kijk kwam te staan, leverde meneer Horváth een verwijdering met zijn IJsco-kar op. De politie zond hem heen. Meneer Horváth fietste glimlachend en vriendelijk zwaaiend naar huis.
Aron zijn vriendschap vervulde mij met een diep gevoel van veiligheid. Hij en zijn vader bezaten iets onaantastbaars. En Aron was voor de duivel niet bang. Op zaterdagen fietsten hij en ik vaak naar de plaatselijke houtboer om afvalhout uit te zoeken, waar wij vervolgens een hut in het Mauritspark van bouwde of een uitbreiding van Bunky’s hok mee maakte. Toen ik eens met een stapel hout de winkel uitkwam en deze per ongeluk voor mijn fiets op de tegels liet neervallen, schrok een bekakte en strak gekapte dame op. Geflankeerd door twee meisjes in lakschoenen met staarten in het haar, stond zij voor mij. Haar van schrik onthutste gezicht stond zó beledigd, dat ik ondanks mezelf in de lach schoot. Hierop trok de dame mij aan mijn oorlel omhoog en beet mij spugend toe: ‘Vind jij dat grappig, ettertje? Een beetje met hout naar de mensen smijten?’ Net toen mijn oor van de pijn begon te janken, kwam Aron naar buiten; hij smeet ook zijn hout op de grond, duwde de dame van mij af en ging met zijn grote lijf voor haar staan: ‘Durf jij wel? Dat moet je mij eens proberen te flikken, mal wijf! Nou, toe dan! Grijp mijn oor eens? Dan zal je zien dat je kan vliegen, ouwe gek! Kun je meteen weer naar die stinkkapper van je!’ Bijna huilend greep de vrouw haar meisjes bij de hand en beende, angstig achteromkijkend, bij ons vandaan.
De enige die niet om Aron zijn streken, en vaders goedmoedige weerbaarheid kon lachen, was moeder Horváth. Zij schudde op zulke dagen het droeve hoofd en mompelde: ‘Pas nou op, ze komen ons nog eens halen!’
En nu, uitgerekend op mijn verjaardag, was moeder Horváth haar woning aan het schrobben en de rest van de familie van huis. Ik voelde me behalve weemoedig ook een beetje in de steek gelaten. Omdat het nog winter was, wilde ik voor de zekerheid toch even polshoogte gaan nemen op de Mabeliastraat. ‘Rikkie, vanmiddag komt je visite! Dan moet je hier zijn voor je feest! De mensen komen voor jou,’ riep mijn moeder mij na. Natuurlijk had ik zin in mijn verjaardag en verlangde ik naar de cadeau’s. Maar de mooiste feestjes waren bij de familie Horváth, waar vader viool speelde voor het portret van zijn vader, een in de oorlog gesneuvelde generaal. En waar Arons moeder tot het heiligenbeeld zong, terwijl uit de keuken de heerlijkste geuren kwamen. Ik mocht altijd mee eten.
In de Mabeliastraat aangekomen wandelde ik door een laagje sneeuw. De Volkswagenbus was inderdaad weg. Hoe had Aron mijn verjaardag kunnen vergeten? Ik liep door tot het huis, misschien kon ik zijn moeder uitnodigen voor een stuk taart vanmiddag. De ramen en de voordeur stonden open. Pas nu zag ik dat de voorruit kapot was. Op het tuinpad lagen scherven servieswerk tussen velerlei laars-afdrukken in de bevuilde sneeuw. Angstig riep ik mevrouw Horváths naam. Ik kreeg geen antwoord. Bij het binnenlopen van de hal zag ik Irena’s verbogen beenprothese op de grond liggen. De riempjes waren afgescheurd. Het behang hing in repen aan de muur. Voorzichtig beklom ik de trap, waarbij mijn hand in kleverig bloed greep. Dat was nog niet opgedroogd, dus lang kon de familie niet weg zijn. De slaapkamers waren overhoopgehaald. De poster van het Hongaarse voetbalelftal, die altijd trots boven Arons bed hing, lag versnipperd op de houten vloer. Zijn matras was bevuild.
Van buiten klonk een mopperende mannenstem: ‘Het is godverdomme niet te geloven, zelfs verhuizen kunnen ze niet fatsoenlijk!’ Met een nauwelijks onder controle te krijgen ademhaling wandelde ik naar de achtertuin. Meneer Horváth’s perenboompje was half uit de grond getrokken, enkele wortels staken boven de sneeuw uit. Maagzuur wegslikkend bekeek ik de zwarte sporen van rupsbanden. De houten schutting lag in splinters over de gestorven Bunky, hij had de ogen nog open. Ook zijn stalletje was half ingestort. Woest van verdriet holde ik naar huis. In de Mabeliastraat liep ik bijna tegen de fietsende, aan het gezin verbonden maatschappelijk werker op. Ik vroeg haar waar Aron was. ‘Ach jochie,’ riep ze vlug doorfietsend, ‘het is beter zo. Geloof me. Die zouden hier nooit thuis geraken.’
Woorden van eenzelfde strekking kreeg ik ook thuis te horen, maar de opluchting die in mijn ouders troostende woorden doorklonk, maakte mij razend. Ik blies alle twaalf kaarsen op mijn taart in één keer uit. Ook op school liet niemand mij weten waar Aron en zijn familie gebleven was. Niemand scheen iets te weten of te vermoeden. Schoolmeester Kloef tilde zwijgend Aron zijn tafeltje op. Het kreeg een plaats op de gang en werd omgekeerd neergezet onder de kapstok.
© Rik van Schaik 2026, 'De familie Horváth' uit Het was een geweldig feest
© Rik van Schaik 2025-2026
www.rikvanschaik.nl
info@rikvanschaik.nl